De Groene Technocratie: Windenergie en Subsidies
De wind is oud; de spreadsheet is jong. Toch is het vandaag vaak niet de wind die over het Vlaamse energiebeleid beslist, maar de tabel. In het debat dat deze week in het Vlaams Parlement oplaaide over groene stroomcertificaten voor windmolens, botsen klimaatdoelstellingen, begrotingsdiscipline en rechtszekerheid op elkaar. Feitelijk gaat het om de hervorming van een steunmechanisme. Politiek en moreel gaat het om iets groters: wie mag de energietransitie vormgeven, in welke taal, en voor wiens rekening.
Wie de discussie alleen leest als een conflict tussen voorstanders en tegenstanders van windenergie, mist de echte verschuiving. De inzet is niet louter of Vlaanderen meer windmolens wil, maar of het de transitie nog kan uitleggen in termen van publiek doel, rechtvaardigheid en gedeeld eigenaarschap. Zodra het debat volledig wordt herleid tot rendementscurves, staatssteunregels en terugverdientijden, verschijnt wat ik in Thrones of the Invisible de verafgoding van de markt noem. In de sectie De markt als nieuwe natuurlijke orde beschrijf ik hoe de markt in moderne samenlevingen niet langer als instrument maar als een soort natuurwet wordt behandeld, zodat politieke keuzes zich vermommen als economische noodzaak .
Precies daar raakt dit dossier een gevoelige zenuw. Critici van de bestaande certificatenregeling stellen dat dalende technologieprijzen oudere steunmodellen hebben veranderd in mogelijke oversubsidiëring. Dat is een legitieme beleidsvraag. Maar de omgekeerde vraag is minstens even legitiem: waarom doen we alsof een zogenaamd zuivere markt ooit de natuurlijke toestand van energiebeleid is geweest? In het deel van de trilogie over de naoorlogse orde wijs ik erop dat kernsectoren zoals energie historisch juist werden beschouwd als basissystemen waarop hele samenlevingen steunden, en daarom vaak genationaliseerd of strak publiek aangestuurd werden . De energiemarkt is dus nooit louter markt geweest; zij is altijd ontworpen, gestuurd en beschermd.
Dat inzicht maakt de term groene technocratie begrijpelijk. Het probleem is niet dat experts rekenen. Het probleem begint wanneer alleen de rekentaal nog gezag heeft. In het hoofdstuk over politieke religies beschrijf ik hoe technocratisch kapitalisme de wereld leert indelen in efficiënt en inefficiënt, kredietwaardig en risicovol, waarbij experts boven leken komen te staan . Elders, in de sectie Denkfabrieken en het nieuwe priesterdom, laat ik zien hoe beleidsinstituten en experts markten voorstellen als natuurlijk en de staat als verstorend, alsof die tegenstelling geen politieke keuze maar een neutraal feit zou zijn . In Vlaanderen hoor je vandaag een verwante liturgie: niet langer de vraag wat ecologisch nodig en democratisch wenselijk is, maar wat modelmatig verdedigbaar en budgettair aanvaardbaar lijkt.
Daarom is de huidige spanning rond rechtszekerheid zo belangrijk. Wie steunmechanismen retroactief aanpast, bespaart misschien op korte termijn, maar zaait op lange termijn bestuurlijk wantrouwen. Dat is geen detail. In Leugens van de austeriteit, onder de subsectie De noodzaak die een keuze was, beschrijf ik hoe beleidsmakers budgettaire krapte vaak presenteren als een natuurwet, terwijl zij in werkelijkheid keuzes maken over wie onzekerheid moet dragen . Ook in dit winddossier is dat de kernvraag: wordt de onzekerheid neergelegd bij de overheid, bij investeerders, bij lokale bewoners of uiteindelijk bij de burger op de energiefactuur?
Mijn lezing is dat het Vlaamse debat vastloopt zodra beide kampen zich verschansen in halve waarheden. Ja, subsidies kunnen verstorend worden als ze niet periodiek worden herijkt aan technologische kostendalingen. Maar ja, een energietransitie van deze schaal komt evenmin tot stand zonder voorspelbare publieke kaders, infrastructuur en tijdelijke steun. Wie beweert dat de markt dit vanzelf oplost, vergeet dat markten door wetten, netten, vergunningen en garanties worden gemaakt. Wie beweert dat klimaaturgentie elk bezwaar overstemt, vergeet iets anders: ook de groene zaak kan technocratisch verharden.
Die waarschuwing staat expliciet in de slotsectie Mogelijke draden, geen zekere toekomsten. Daar schrijf ik dat antwoorden op klimaatinstorting in de verleiding zullen komen om een smalle reeks oplossingen als onvermijdelijk te presenteren, afwijkende stemmen te marginaliseren en offers neer te leggen bij wie het minst beschermd is . Dat is de diepere paradox van de wind. Een maatregel die vertrekt uit ecologische noodzaak kan onderweg haar morele inhoud verliezen en eindigen als kille beheersvraag. Dan wordt de transitie iets wat burgers ondergaan, niet iets wat zij mede dragen.
Juist daarom verdient de technocratisering van het verzet aandacht. Wanneer omwonenden, parlementsleden of middenveldspelers vandaag vragen stellen over subsidiestromen, eigendomsstructuren of de verdeling van winsten en lasten, dan hoeft dat geen afwijzing van windenergie te zijn. Het kan ook een democratische correctie zijn op een te smalle beleidslogica. In Thrones of the Invisible zeg ik het zo: markten kunnen echte noden vervullen, maar als goden eisen zij dat het leven wordt gevormd om hén te dienen . Dat onderscheid is hier beslissend. De vraag is niet of Vlaanderen de markt moet uitschakelen, maar of het de markt als dienaar van de transitie behandelt, of als rechter over de transitie.
Wat zou in dit dossier dan een volwassen, democratisch verdedigbare lijn zijn? Niet de reflex van blinde subsidiëring, maar evenmin de theatrale zuivering van elke steun. Eerder een vijftal eenvoudige beginselen.
- Ten eerste: volledige transparantie over welke projecten hoeveel steun ontvingen, op basis van welke aannames en tegen welke actuele rendementen.
- Ten tweede: voorspelbare herzieningsmomenten die vooraf wettelijk zijn vastgelegd, zodat kostenreducties kunnen worden doorgerekend zonder retroactieve willekeur.
- Ten derde: een duidelijke scheiding tussen redelijke investeringsbescherming en bovenmatige private renteseeking.
- Ten vierde: meer lokale participatie, burgercoöperaties en zichtbare maatschappelijke terugvloei, zodat de omgeving niet alleen de horizon deelt maar ook de opbrengst.
- Ten vijfde: een sociale correctie op de factuur, zodat gezinnen niet louter betalers van de transitie zijn terwijl de baten elders geconcentreerd raken.
Die laatste voorwaarde is essentieel. Een klimaatbeleid dat morele geloofwaardigheid wil behouden, kan niet eindigen in een stelsel waarin de burger de rekening betaalt, de expert de taal beheerst en de grote speler de marge incasseert. In de toekomstpassages van de trilogie stel ik dat een rechtvaardige orde de armen niet mag vragen hun schamele comfort op te geven zodat de rijken meer kunnen houden, maar eerder van wie meer heeft mag vragen een deel van zijn voorrechten los te laten . Toegepast op de Vlaamse energietransitie betekent dit: de publieke legitimiteit van windbeleid hangt niet alleen af van hoeveel megawatt het oplevert, maar van hoe zichtbaar eerlijk het systeem is ingericht.
Het debat over groene stroomcertificaten voor windmolens is dus geen voetnoot in een begrotingsdiscussie. Het is een test voor de politieke volwassenheid van de energietransitie. Als Vlaanderen klimaatbeleid laat opsluiten in staatssteunjuridiek en rendementsrekenen, dan zal de burger zich steeds minder eigenaar voelen van de verandering. Maar als het erin slaagt ecologische noodzaak te verbinden met transparantie, rechtszekerheid, sociale rechtvaardigheid en democratische deelname, dan kan de wind opnieuw iets anders worden dan een financieel dossier: een publiek project.
In de taal van Thrones of the Invisible komt het hierop neer: niet of wij cijfers gebruiken, maar onder welke god. Niet of wij rekenen, maar wat wij heilig verklaren. Wanneer de tabel het laatste woord krijgt, wordt de transitie koud. Wanneer de samenleving het laatste woord houdt, kan zelfs een subsidie een democratisch instrument van ecologische volwassenheid worden.
Bron: Vlaams Parlement, plenaire vergaderingen, Windmolens maart 2026, https://www.vlaamsparlement.be/plenaire-vergaderingen/windmolens-maart-2026
Comments ()