De Managerial State: Strategische Rituelen in de Drugsoorlog

De Managerial State: Strategische Rituelen in de Drugsoorlog

Deze week keurde de Thematische Vergadering Drugs de Interfederale drugsstrategie 2026-2029 goed. Op papier is dat een bestuurlijke gebeurtenis: een nieuwe strategie, een nieuwe coördinatie, een nieuwe poging om preventie, zorg, veiligheid en justitie beter op elkaar af te stemmen. Maar wie goed kijkt, ziet meer dan een beleidsnota. Men ziet een staat die niet langer vooral spreekt in de taal van zonde, schuld of zelfs oorlog, maar in de taal van beheer: stromen, koppelingen, indicatoren, risico's, interoperabiliteit. De drugsoorlog verdwijnt niet; zij verandert van kostuum.

Van strijd naar beheer

Dat is de echte betekenis van dit nieuws. De Belgische overheid presenteert de nieuwe strategie begrijpelijkerwijs als modernisering: integraler, wetenschappelijker, beter gecoördineerd, internationaler. Daar is op zichzelf niets verdachts aan. Elke samenleving heeft recht op ernstig beleid rond verslaving, georganiseerde criminaliteit en volksgezondheid. Maar juist hier begint de belangrijkere vraag. Wat gebeurt er wanneer een probleem dat diep menselijk, relationeel en sociaal-economisch is, in toenemende mate wordt benaderd als een kwestie van bestuurlijke optimalisatie?

In de trilogie heb ik dat eerder beschreven in het deel over de Manageriële Staat: ministeries, dossiers, formulieren en "best practices" worden de nieuwe tempels van orde, terwijl experts claimen de samenleving rationeel te kunnen besturen met data, modellen en professioneel oordeel; de burger ontmoet die macht vervolgens niet in grootse theorie, maar aan het loket, in het formulier en in het protocol . De goedkeuring van deze drugsstrategie past precies in dat patroon. Niet omdat preventie of coördinatie verkeerd zouden zijn, maar omdat de onderliggende verbeelding van de staat verschuift: van beschermer of wetgever naar systeembeheerder.

De dataflow als liturgie

De sleutelterm in de berichtgeving van deze week is niet toevallig de koppeling van kennis, systemen en stromen. Waar vroegere beleidsperiodes zich nog graag voordeden als een frontale strijd tegen een kwaad, presenteert deze strategie zich als een fijnmazig beheer van risico. Dat klinkt nuchter. Het klinkt verstandig. En precies daarom verdient het wantrouwen van een volwassen democratie. Zoals ik in Hoofdstuk 30 – Voorspel, Rangschik, Vergeet: Algoritmen en de Nieuwe Goddelijke Orde schreef, ligt de centrale leugen van zulke systemen niet in openlijke wreedheid, maar in de claim van neutraliteit: het model lijkt slechts te registreren wat al bestaat, terwijl het in werkelijkheid keuzes bevat over wat telt, wat gemeten wordt en welk resultaat als succes geldt .

Dat punt is cruciaal voor een drugsstrategie die inzet op geïntegreerde datastromen. Want meer gegevens betekenen niet automatisch meer rechtvaardigheid. Soms betekenen zij vooral een verfijndere vorm van vroegere vooroordelen. Wanneer medische, sociale en politionele gegevens dichter bij elkaar komen, ontstaat er ongetwijfeld meer bestuurlijke zichtbaarheid. Maar zichtbaarheid voor de administratie is niet hetzelfde als begrip voor het leven dat wordt geobserveerd. In de logica van het systeem wordt de verslaafde al snel een risicoprofiel, de kwetsbare wijk een hotspot, de terugval een indicator, het hulptraject een KPI.

In Hoofdstuk 34 – Politiek onder algoritmische goddelijke macht beschrijf ik hoe de formele politiek gewoon doorgaat – parlementen, debatten, verklaringen – terwijl daaronder een stillere heerschappij groeit in datacenters, scoringssystemen en technische infrastructuren die zichzelf als onbetwistbaar presenteren . Dat is precies het gevaar van de managerial state in de drugsoorlog: de fundamentele politieke vraag – wat zijn we elkaar verschuldigd wanneer mensen vastlopen in verslaving, armoede, geweld en illegale economieën? – wordt vertaald naar een technische vraag: hoe organiseren we de informatie-architectuur efficiënter?

De vervagende grens tussen zorg en repressie

Voorstanders van de strategie zullen terecht zeggen dat silo's doorbreken nodig is. Zorg zonder informatie kan blind zijn. Justitie zonder sociale context kan bruut zijn. Preventie zonder samenwerking kan versnipperd raken. Dat is het sterkste argument voor de nieuwe aanpak, en het verdient serieuze erkenning. Maar het andere, even ernstige punt is dat zorg en repressie niet simpelweg twee afdelingen zijn die men administratief kan samenbrengen zonder morele gevolgen.

In de trilogie waarschuw ik meermaals dat surveillance zich in onze tijd zelden aanbiedt als harde dwang alleen; zij verschijnt juist als veiligheid, gemak en betere dienstverlening. Data die voor één doel zijn verzameld, blijven echter zelden keurig binnen dat ene doelvak, en juist de groepen die al als risicovol worden gezien, dragen meestal de zwaarste last van die verschuiving . Toegepast op het Belgische drugsbeleid is de vraag dus niet alleen of gegevensuitwisseling technisch mogelijk of bestuurlijk nuttig is. De diepere vraag is of een persoon die hulp zoekt, nog ondubbelzinnig kan geloven dat hij of zij zich in een zorgrelatie bevindt – en niet tegelijk in een sorteerrelatie.

Dat raakt aan vertrouwen. Wie in een kwetsbare positie leeft, maakt niet eerst een juridisch schema in het hoofd. Die voelt aan of een instelling veilig is. Zodra de grens tussen hulp en toezicht vervaagt, kan de rationeel bedoelde integratie een irrationeel maar begrijpelijk gevolg hebben: mensen mijden hulp, zwijgen meer, verdwijnen sneller uit beeld, of komen pas in contact met de staat wanneer de repressieve arm al voor hen staat. Een strategie kan administratief coherenter worden en maatschappelijk toch minder betrouwbaar aanvoelen.

Strategische rituelen van controle

Daarom is het woord "strategie" hier zelf al betekenisvol. In veel moderne beleidsdomeinen functioneert de periodieke strategie als ritueel: men kondigt aan, harmoniseert, meet, rapporteert, evalueert en herbegint. Het ritueel heeft echte effecten, maar het heeft ook een symbolische functie. Het moet tonen dat het centrum regeert, dat de machine leert, dat de onzekerheid in kaart wordt gebracht. Bij drugsbeleid is dat extra verleidelijk, juist omdat de onderliggende werkelijkheid weerbarstig is. Markten verschuiven. Netwerken passen zich aan. Verslaving verplaatst zich langs wonde, eenzaamheid, trauma en economische breuklijnen.

Mijn lezing – en dit is dus interpretatie, geen neutrale samenvatting van de overheidscommunicatie – is dat de managerial state hier een oude politieke behoefte in een nieuw jasje vervult: niet de overwinning op het probleem, maar de permanente en zichtbare organisatie van de reactie erop. Wat vroeger een ideologische kruistocht was, wordt nu een beheerste en datagedreven liturgie. De vraag is dan niet langer of de drugsoorlog gewonnen wordt, maar of zij voldoende ordelijk kan worden geadministreerd.

Zoals Hoofdstuk 36 – Zaden van een andere goddelijke orde stelt, begint elke orde met een manier van kijken. Het voorspelbare subject is voor systemen altijd aantrekkelijker dan het zichtbare subject. Dashboards, scores en risicovlaggen maken mensen leesbaar, maar vaak juist door hun rommeligheid, hun verhaal en hun radicale onafheid af te snijden . In dat licht is de vraag bij deze Belgische strategie niet alleen of de data goed genoeg zijn, maar of het beeld van de mens dat erin besloten ligt rijk genoeg is.

Wat een volwassen drugsbeleid zou vereisen

Een ernstig en humaan beleid hoeft data niet af te wijzen. Ook dat heb ik in de trilogie benadrukt: de vraag is niet of we data gebruiken, maar onder welke god we ze gebruiken. Wanneer gegevens eerst vragen oproepen over structuren, barrières en context, kunnen zij recht doen aan mensen. Wanneer zij te snel veranderen in oordelen over risico, geschiktheid en voorspelbaarheid, beginnen zij mensen te reduceren . Voor een drugsstrategie betekent dat concreet: gebruik data om te zien waar woonnood, schooluitval, psychische kwetsbaarheid, wachtlijsten en geweld samenkomen; gebruik ze niet als excuus om hulpvragers geruisloos in een bredere infrastructuur van wantrouwen te schuiven.

Juridisch en ethisch is de grens hier allesbehalve bijkomstig. Onder Belgisch en Europees recht zijn doelbinding, proportionaliteit, gegevensminimalisatie, beroepsgeheim en onafhankelijke controle geen administratieve voetnoten, maar de morele ruggengraat van elk systeem dat zorg en veiligheid tegelijk wil bedienen. Wie die grens achteloos behandelt, ondermijnt niet alleen privacy, maar ook de legitimiteit van de zorg zelf.

De goedkeuring van de Interfederale drugsstrategie 2026-2029 is dus belangrijk, niet alleen om wat zij wil doen, maar om wat zij onthult over de gedaante van de hedendaagse staat. De Belgische overheid wil maatschappelijke risico's beter beheren. Dat is begrijpelijk. Maar zodra menselijk leed hoofdzakelijk verschijnt als iets dat via gekoppelde informatiestromen bestuurbaar moet worden gemaakt, ontstaat de oude verleiding die ik overal in Thrones of the Invisible heb gevolgd: een menselijke constructie presenteren als noodzaak, en vervolgens vergeten dat achter elke flow, elke drempelwaarde en elke koppeling nog altijd een morele keuze schuilt.

De staat mag organiseren. Hij moet zelfs organiseren. Maar als hij verslaving enkel leert lezen als een probleem van beheer, zal hij misschien efficiënter worden zonder wijzer te worden. En een samenleving die efficiënter wordt terwijl zij de mens achter het datapunt uit het zicht verliest, heeft misschien haar proces verbeterd, maar nog niet haar geweten.

Bron: Thematische Vergadering Drugs keurt nieuwe Interfederale strategie 2026-2029 goed, news.belgium.be. Analyse gebaseerd op het aangeleverde nieuwsbericht en de relevante passages uit Thrones of the Invisible.