De Strijd om de Creatieve Biosfeer: AI & Copyright

De Strijd om de Creatieve Biosfeer: AI & Copyright

Het rapport dat het Europees Parlement op 10 maart 2026 over AI en auteursrecht aannam, is in het artikel "AI & Copyright: European Parliament Report Sparks Uncertainty" en in de Belgische duiding errond terecht niet behandeld als een technisch voetnootje. Het raakt aan een veel grotere vraag: of cultuur in het tijdperk van generatieve modellen nog mag gelden als menselijke arbeid, geheugen en stijl, of als een vrij ontginbare groeve van data waaruit nieuwe producten worden gedistilleerd. Feitelijk gaat het hier om een parlementaire stap in een lopend juridisch en economisch debat; mijn lezing hieronder is een interpretatie van de betekenis ervan. Maar juist in zulke momenten zie je hoe een beschaving beslist wat zij heilig genoeg vindt om niet geruisloos te laten vermalen.

De kern van de Belgische discussie lijkt me helder. Niet iedereen vraagt om een verbod op AI-training, en dat is verstandig. De echte eis is fundamenteler: zichtbaarheid. Wie werd gebruikt? Op basis van welke werken? Met welke toestemming, welke vergoeding, welk verhaalrecht? In Thrones of the Invisible noem ik dat, in Hoofdstuk 16 "Leugens die ons binden: mythen van het moderne pantheon", het doorprikken van de leugen van neutraliteit. Wanneer men zegt dat "het algoritme gewoon wiskunde is" of dat "de data het nu eenmaal tonen", dan beschrijft men geen natuurkracht maar verbergt men keuzes: wat telt, wat meetelt, wat wordt weggelaten, en wie de prijs draagt.

Precies daarom is de roep om radicale transparantie geen randkwestie maar het morele beginpunt. In de sectie "De onzichtbare bibliografie" beschrijf ik hoe teksten in het digitale tijdperk worden gescrapet, opgebroken in tokens en opgenomen in modellen die vele stemmen kunnen imiteren zonder één oorsprong nog te erkennen. Auteurschap lost op in abstractie; bronvermelding wordt technisch, contractueel of commercieel onzichtbaar gemaakt; en precies die onzichtbaarheid geeft het systeem zijn aura van onvermijdelijkheid. Zoals elders in de trilogie wordt gezegd: de training lost auteurschap op in abstractie en laat instellingen zich verschuilen achter "wat het model zegt" wanneer schade ontstaat. In zo'n context is een eis tot openlegging van datasets, licentiegrondslagen en auditsporen geen technofobie. Het is een poging om menselijke auteurs opnieuw zichtbaar te maken waar de machine hen tot ruis heeft herleid.

Daar ligt ook de cruciale nuance in het onderscheid tussen "consumptie" en "verwerking" van data. Een mens die een roman leest, draagt die niet mechanisch over naar een schaalbaar substituutproduct. Een bedrijf dat miljoenen beschermde werken in trainingscorpora opneemt om vervolgens synthetische teksten, beelden, stemmen of stijlnabootsingen te commercialiseren, beweegt zich in een andere morele categorie. Dat hoeft juridisch niet altijd eenvoudig te zijn, maar maatschappelijk is het verschil enorm. In het deel van de trilogie waar de Industriële Revolutie verschijnt onder het teken van "Vooruitgang als god van deze wereld", beschrijf ik hoe kleine wevers werden verpletterd en ambachtslieden hun vak gedevalueerd zagen onder de retoriek dat mechanisatie onvermijdelijk was en iedereen uiteindelijk zou baten. De echo met de creatieve sector van nu is te luid om niet te horen. Ook vandaag luidt het evangelie van de macht: pas je aan, schaal op, optimaliseer, aanvaard dat jouw stijl voortaan grondstof is.

Dat verklaart waarom Sabam, PlayRight en andere rechtenorganisaties zo nadrukkelijk op een opt-in model hameren. Moreel is daar veel voor te zeggen. Een opt-in keert de gewelddadige vanzelfsprekendheid om waarmee de digitale economie vaak is gegroeid: niet eerst nemen en later onderhandelen, maar eerst vragen en dan gebruiken. Tegelijk zou het onvolledig zijn om te zwijgen over de tegenwerping die ook in het debat leeft: als toestemming, licenties en compliance uitsluitend via zware en dure procedures verlopen, dan kunnen vooral de grootste ondernemingen zich die infrastructuur permitteren, terwijl kleinere Europese ontwikkelaars of onderzoeksinitiatieven verstikken nog voor ze beginnen. Dat is geen argument tegen toestemming; het is een argument voor beter institutioneel ontwerp. Een volwassen Europees kader zou dus minstens vier dingen moeten combineren: verplichte transparantie, werkbare collectieve licenties, proportionele vergoedingsmechanismen zoals een AI-heffing waar individuele tracering onhaalbaar is, en duidelijke uitzonderingen voor aantoonbaar publiek belang en echt onderzoek.

De idee van een AI-heffing wordt soms voorgesteld als een vijandige belasting op innovatie. Dat lijkt mij te simplistisch. Als generatieve modellen economische waarde onttrekken aan een reeds bestaande culturele bodemlaag, dan is een heffing niet per se een straf maar een manier om de ontginningskost terug te voeren naar het ecosysteem waaruit zij werd gehaald. Dat sluit aan bij een bredere kritiek uit de trilogie: het neoliberale geloof behandelt steeds meer domeinen alsof zij louter in termen van kosten, baten en rendement bestaan; zelfs kunst en vorming worden dan herleid tot meetbare input voor markten. Zodra die logica zich aan generatieve AI koppelt, wordt cultuur niet langer beleefd als een levende praktijk van makers, uitgevers, acteurs, vertalers, docenten en kleine studio's, maar als goedkope invoer voor een machine die vooral schaal en distributiekracht beloont. De waarschuwing voor de "uitholling van de middenklasse in de creatieve sector" is daarom geen sentimenteel verzet tegen vernieuwing. Het is een nuchtere inschatting van wat er gebeurt wanneer productiviteitstoename niet gepaard gaat met eerlijke terugvloeiing van waarde.

De Belgische vrees voor een "twee-stromen-cultuur" verdient dan ook ernstig te worden genomen. Men kan zich zonder veel moeite een nabije markt voorstellen waarin overvloedige, goedkope, synthetische content de dagelijkse informatiestroom vult, terwijl expliciet menselijke kunst langzaam verschuift naar een duur nichegoed voor wie zich authenticiteit nog kan veroorloven. Dat zou niet alleen economisch verlies betekenen, maar ook democratisch verlies. Een taalgebied leeft immers niet van abstracte "content" alleen. Het leeft van lokaal ritme, ironie, herinnering, accent, nuance, twijfel, tegenspraak. In Hoofdstuk 34, "Politiek onder algoritmische goddelijke macht", schrijf ik dat macht in het digitale tijdperk niet alleen via parlementen loopt maar ook via datacenters, cloudcontracten, aanbevelingsmachines en API-toegang, en dat ze zich presenteert als onbetwistbaar juist omdat ze uit code en data zou voortkomen. Wie dus over auteursrecht spreekt, spreekt ook over culturele soevereiniteit in een zeer concrete, niet-romantische zin: wie beslist welke bibliotheek in de machine verdwijnt, en wie daar later nog van mag leven?

Toch moet Europa oppassen voor een tweede verleiding: de bescherming van cultuur omvormen tot een jaloerse, gesloten god. In de trilogie merk ik op dat naties mensen en cultuur kunnen beschermen, maar zich ook kunnen gedragen als jaloerse godheden die exclusieve loyaliteit eisen en afwijking snel als bedreiging lezen. Ook in het AI-debat zou dat gevaar bestaan. Een verstandig Europees antwoord is niet anti-Amerikaans, anti-technologisch of vijandig aan onderzoek. Het moet juist preciezer zijn: innovatie ja, maar niet op basis van systematische onzichtbaarheid; concurrentiekracht ja, maar niet gebouwd op een stilzwijgende subsidie uit het werk van schrijvers, muzikanten, journalisten, illustratoren en performers; uitzonderingen ja, maar niet als achterpoort waardoor commerciële schaalextractie zich opnieuw als neutraliteit vermomt.

Wat mij in deze week het meest treft, is dat het debat uiteindelijk niet over machines gaat, maar over waardigheid. In Hoofdstuk 36, "Zaden van een andere goddelijke orde", schrijf ik dat een kind niet bedoeld is om voorspelbaar te zijn, maar zichtbaar. Voor de creatieve sector geldt vandaag een verwante waarheid: een maker mag niet verdwijnen in een statistisch residu. Zijn of haar werk is geen loutere brandstof voor voorspellingssystemen die vervolgens met diezelfde arbeid concurreren. En zoals ik elders in de trilogie schrijf: de vraag is niet of we data moeten gebruiken, maar onder welke god. Als het rapport van 10 maart 2026 werkelijk een historisch kantelpunt blijkt, dan zal dat niet zijn omdat Europa AI heeft tegengehouden, maar omdat het eindelijk is begonnen te zeggen dat innovatie zonder zichtbare menselijke wederkerigheid geen beschaving bouwt, alleen een efficiëntere vorm van culturele ontginning.

Bron: Artikel "AI & Copyright: European Parliament Report Sparks Uncertainty" (CCIA, 11 maart 2026, URL zoals aangeleverd: https://ccianet.org/news/2026/03/ai-copyright-uncertainty/); Belgische mediaduiding rond het Europees Parlement-rapport van 10 maart 2026 zoals in dit dossier beschreven; en Thrones of the Invisible, in het bijzonder Hoofdstuk 16, Hoofdstuk 34, Hoofdstuk 36 en de sectie "De onzichtbare bibliografie".