Geopolitiek als Noodlot: Het Einde van de Zorgeloze Markt
De waarschuwing in het ING-stuk over de Belgische economie is meer dan een sombere conjunctuurnota. Zij leest als een overlijdensbericht voor een oud geloof: het geloof dat een kleine, open economie vanzelf welvaart kan blijven oogsten zolang zij zich netjes inpast in een wereld van vrije handel, voorspelbare energie en relatief stabiele machtsverhoudingen. Wat in dat artikel naar voren komt, is niet alleen tragere export, maar het einde van een wereldbeeld. De Belgische economie wordt er niet langer voorgesteld als een schip op een rustige handelszee, maar als een land dat zijn plaats moet zoeken in een oceaan van blokkades, rivaliteiten en strategische hergroepering.
Dat is precies het soort moment waarop economische taal haar masker laat vallen. In Thrones of the Invisible schreef ik in Hoofdstuk 11 dat de markt in de moderne tijd vaak werd behandeld als een onzichtbare god, een seculiere voorzienigheid waarvan de uitkomsten als natuurlijk en bijna moreel juist werden voorgesteld . De nieuwe Belgische nervositeit toont het omgekeerde: de markt is helemaal niet zorgeloos, neutraal of autonoom. Zij wordt vandaag doorkruist door staten, allianties, sancties, industriële subsidies en veiligheidsdoctrines. Wie nog doet alsof de economie een technisch domein is dat losstaat van machtspolitiek, heeft de eeuw niet begrepen.
In die zin is het opvallend eerlijk dat de analyse van ING het woord geopolitiek zo centraal plaatst. Dat woord betekent in de praktijk dat prijs niet langer volstaat als ordenend beginsel. Herkomst, bondgenootschap, kwetsbaarheid en strategische afhankelijkheid wegen weer zwaarder. Voor België, dat groot is in doorvoer, chemie, farmacie, logistiek en exportgerichte productie, is dat geen randfenomeen maar een systeemschok. Een model dat gebouwd was op openheid krijgt plots te maken met een wereld waarin openheid selectief wordt, en waarin ‘friend-shoring’ in feite zegt: handel is voortaan ook een loyaliteitstest.
De belangrijkste nuance in de berichtgeving van deze week is daarom wellicht deze: het gaat niet om een tijdelijke dip die verdwijnt zodra de rente wat zakt of de buitenlandse vraag wat aantrekt. Het gaat om een structurele herschikking. In de sectie Een economie van de hoop – en haar onvoltooide werk beschrijf ik hoe naoorlogse welvaartssystemen altijd al rustten op specifieke internationale afspraken, en hoe exportafhankelijkheid, asymmetrische handelsrelaties en kwetsbaarheid voor externe schokken nooit echt uit de wereld verdwenen waren . De Belgische economie voelt vandaag dus niet alleen een nieuwe tegenwind; zij botst op het feit dat haar oude ankerpunten zelf aan het verschuiven zijn.
Dat maakt de discussie over loonhandicap, energiekosten en productiviteit concreter en harder. Wanneer energie duurder blijft dan in concurrerende regio’s, wanneer exportmarkten meer politiek gefilterd raken en wanneer bedrijven investeringen uitstellen omdat strategische risico’s niet meer in modellen passen, dan verandert ook de binnenlandse politieke taal. Dan duikt haast vanzelf de bekende formule op: de sociale zekerheid zou ‘onhoudbaar’ worden, de arbeidsmarkt zou ‘flexibeler’ moeten, pensioenen zouden ‘realistischer’ moeten. In Hoofdstuk 16 noemde ik dat de leugen van neutraliteit en de leugen van onvermijdelijkheid: economische uitkomsten worden voorgesteld alsof zij uit systemen zelf voortkomen, terwijl er in werkelijkheid altijd menselijke keuzes, belangen en prioriteiten achter schuilgaan .
Daarmee is niet gezegd dat elke waarschuwing voor budgettaire druk onwaar is. Vergrijzing, tragere groei en een verzwakte exportbasis zijn reële problemen. Maar uit die feiten volgt niet automatisch één politiek script. Dat is een essentieel onderscheid. In Hoofdstuk 31 – Austeriteit en de nieuwe moraal van het lijden – liet ik zien hoe leiders na een schok vaak teruggrijpen naar het verhaal van het gezin dat te veel heeft uitgegeven: nu moeten we allemaal de broeksriem aanhalen, nu zijn harde ingrepen een bewijs van ernst en deugd . Het gevaar van dat verhaal is niet dat het discipline predikt, maar dat het politieke keuzes vermomt als natuurwet. Een overheid is geen huishouden; haar uitgaven, besparingen en belastingen herschikken de hele economische vloer waarop burgers en bedrijven staan .
Precies daar wordt het Belgische debat moreel geladen. Want zodra export minder oplevert, rijst de vraag niet alleen hoeveel groei er overblijft, maar vooral wie de kosten van de overgang zal dragen. Zullen de verliezen worden opgevangen door lagere bescherming voor werkzoekenden, zwaardere druk op middeninkomens en soberder publieke diensten? Of kiest men ervoor om de productiebasis te vernieuwen, energie-afhankelijkheid sneller af te bouwen, gerichter te investeren in opleiding en innovatie, en tegelijk de fiscale draagkracht aan de top ernstiger aan te spreken? In de trilogie heb ik herhaaldelijk betoogd dat ‘we kunnen het ons niet veroorloven’ vaak minder een economische vaststelling is dan een besluit over wie men wenst te ontzien en wie men bereid is te laten dragen .
Daarom is het ook te eenvoudig om de huidige geopolitieke omslag alleen als noodlot te lezen. Noodlot bestaat in economie meestal uit een opeenstapeling van menselijke ontwerpen die later als onvermijdelijk worden herverteld. In de passage Een economie is meer dan groei stel ik dat een economie geen wezen is waarvan de gezondheid beschermd moet worden ten koste van de mensen die haar geacht worden te dienen, maar een arrangement dat menselijk en maatschappelijk floreren moet mogelijk maken . Toegepast op het ING-artikel betekent dat: als België zijn groeimodel moet herzien, dan moet de maatstaf niet alleen concurrentievermogen zijn, maar ook de vraag welke vorm van zekerheid, waardigheid en democratische controle we in die nieuwe economie willen behouden.
Dat is de diepere inzet van deze week. Niet of er hervormd moet worden — natuurlijk moet er hervormd worden in een wereld die fundamenteel verandert — maar in welke richting. Hervormen kan betekenen: de sociale bescherming uitdunnen zodat burgers zich maar sneller aanpassen aan een hardere wereld. Maar hervormen kan ook betekenen: de economische basis verbreden, cruciale sectoren strategisch versterken, publieke investeringen gebruiken als industriële hefboom, en solidariteit beschouwen als productieve infrastructuur in plaats van als overbodige luxe. De naoorlogse ervaring liet immers ook zien dat zekerheid mensen niet noodzakelijk passief maakt; zij kan hen juist weerbaar, mobiel en ondernemend maken .
In Hoofdstuk 56 schrijf ik dat de tronen van markten, naties en algoritmen half leeg beginnen te raken zodra mensen doorhebben dat zij geen lot maar ontwerp zijn . De Belgische onrust over export en geopolitieke fragmentatie is zo’n moment van onthulling. De zorgeloze markt sterft niet omdat zij plots moreel ongeloofwaardig werd, maar omdat de wereld die haar geloofwaardig maakte uit elkaar valt. Wat nu volgt, is beslissend. We kunnen de burger vertellen dat hij offers moet brengen aan de nieuwe schaarste, alsof lijden opnieuw de prijs van orde is. Of we kunnen, met open ogen, een ander uitgangspunt kiezen.
Dat andere uitgangspunt heb ik elders in de trilogie beschreven als een andere manier van kijken: niet eerst vragen wat systemen eisen, maar wat een samenleving haar mensen verschuldigd is; niet eerst wat de markten belonen, maar wat een democratie wil beschermen; niet eerst hoe we competitie heilig houden, maar hoe we onder onzekerheid toch een gedeeld leven overeind houden. In Hoofdstuk 36 noem ik dat het begin van een andere goddelijke orde: elke orde begint met wat zij leert tellen, zien en vereren . De echte vraag achter het ING-artikel is daarom niet alleen hoe België opnieuw groei vindt. De vraag is wat België, nu de wereld ruwer wordt, nog hoger wil plaatsen dan groei alleen.
Bron: ING, Belgische economie: het einde van het zorgeloze tijdperk, https://www.ing.be/nl/particulieren/mijn-geld/economie/vooruitzichten-belgische-economie-2026; interpretatieve verwijzingen naar Thrones of the Invisible, met name Hoofdstuk 11, Hoofdstuk 16, Hoofdstuk 31, Hoofdstuk 36, Hoofdstuk 56 en de sectie Een economie van de hoop – en haar onvoltooide werk .
Comments ()