Meritocratie en de Sociale Kloof in Welzijn

Meritocratie en de Sociale Kloof in Welzijn

De recente Belgische cijfers over mentaal welzijn zijn geen koude statistiek; zij zijn een morele kaart van het land. Uit de nieuwe Sciensano-data, waarover The Brussels Times deze week berichtte, blijkt opnieuw dat lageropgeleiden en mensen met een laag inkomen in België vaker mentale problemen rapporteren. Dat is eerst en vooral een feitelijke vaststelling over gezondheid. Maar het is ook een onthulling van iets groters: een samenleving die zichzelf graag rechtvaardig noemt, verdeelt niet alleen geld en kansen ongelijk, maar ook rust, waardigheid en psychische ademruimte.

Niet alleen een gezondheidsverhaal, maar een verhaal over erkenning

De voorzichtigste, en daarom ook de eerlijkste, formulering is deze: de Sciensano-cijfers tonen een sterke samenhang tussen sociaal-economische positie en mentaal welzijn. Zij bewijzen niet dat elke depressie, angststoornis of uitputtingsreactie rechtstreeks door inkomen of diploma alleen wordt veroorzaakt. Wel maken ze zichtbaar dat psychisch lijden sociaal gestratificeerd is. Wie minder inkomen, minder zekerheid en minder institutionele erkenning heeft, leeft vaker onder omstandigheden die de geest uitputten: financiële stress, slechtere huisvesting, onzekerder werk, minder toegang tot hulp en minder marge om te herstellen.

Dat patroon verbaast mij niet. In Thrones of the Invisible heb ik geprobeerd te tonen hoe moderne samenlevingen hun hiërarchie zelden nog in oude, brute taal verdedigen. Zij zeggen niet meer openlijk dat sommige mensen geboren zijn om te heersen en anderen om te dienen. Zij spreken zachter. Zij spreken over verdienste, talent, inzet en keuze. In de sectie “De uitvinding van de meritocratie: een eerlijkere race — op papier” beschrijf ik precies die verschuiving: meritocratie begon historisch als een waarschuwing, niet als een droom, omdat zij winnaars moreel zuivert en verliezers hun achterstand in het eigen zelfbeeld laat opnemen .

De meritocratische belofte als seculiere theologie

Wat de Belgische welzijnscijfers deze week zo pijnlijk maken, is dat ze botsen met een van de heiligste zinnen van onze tijd: iedereen kan slagen als hij maar hard genoeg werkt. Die zin klinkt democratisch, maar werkt vaak als een seculiere catechismus. Zij maakt van succes een bewijs van deugd en van achterstand een vermoeden van persoonlijk tekort. In “Continuïteit onder de oppervlakte: competitie met betere manieren” schrijf ik dat meritocratie aantrekkelijk is omdat ze beide kanten van de kloof vleit: de winnaars krijgen te horen dat zij hun positie verdienden, de verliezers dat zij die in theorie ook hadden kunnen verdienen — als zij maar beter, slimmer of taaier waren geweest .

Daar ligt een belangrijke sleutel om de Belgische kloof in mentaal welzijn te begrijpen. Voor wie niet meekomt in een samenleving die diploma’s, verbaal zelfvertrouwen en institutionele codes beloont, is de schade dubbel. Er is de materiële schade: minder inkomen, slechtere woonkwaliteit, minder buffer tegen tegenslag. En er is de symbolische schade: minder aanzien, minder geloofwaardigheid, minder spontane maatschappelijke eerbied. Een mens lijdt niet alleen onder wat hij tekortkomt, maar ook onder wat hem voortdurend wordt verteld over zijn plaats.

Dat verklaart waarom de diploma-kloof meer is dan een onderwijsverhaal. Zij is een regime van publieke erkenning. Wie hoogopgeleid is, wordt in de hedendaagse orde sneller gelezen als competent, rationeel, zelfsturend. Wie lageropgeleid is, wordt te vaak benaderd als iemand die gecorrigeerd, geactiveerd of gemotiveerd moet worden. De oude standensamenleving is niet teruggekeerd, maar een nieuwe morele rangorde heeft zich genesteld in haar plaats.

Wanneer sociale wonden worden hervertaald als individuele zwakte

In het boek noem ik dat mechanisme een verschuiving van structuur naar psyche. In de sectie “Een nieuwe morele last” laat ik zien hoe, naarmate bescherming in arbeid en verzorgingsstaat verzwakte, officiële verhalen zich minder op maatschappelijke inrichting en meer op individuele psychologie gingen richten: als je geen werk vond, moest je je bijscholen; als je opbrandde, miste je veerkracht; als je struikelde op school, lag het aan je houding . Dat is precies de val waar het Belgische debat nu voor staat.

Wanneer mensen in kwetsbare groepen vaker psychische klachten hebben, bestaat de verleiding om te antwoorden met louter individuele zorg: meer coaching, meer therapie, meer tips rond zelfzorg, meer apps, meer veerkrachttraining. Laat mij duidelijk zijn: psychologische hulp kan wezenlijk, noodzakelijk en levensreddend zijn. Maar als men structurele ongelijkheid eerst produceert en daarna psychologisch individualiseert, wordt hulp een pleister op een systeem dat blijft snijden. In “Psychologie en mindset” waarschuw ik voor dat moment waarop structurele schade wordt omgeframed tot een houdingsprobleem, zodat ondergefinancierde scholen, discriminerende werving, giftige werkplekken en onstabiele huisvesting uit beeld verdwijnen .

Hetzelfde geldt voor gezondheidscultuur in engere zin. In “De resulterende ‘rechtvaardigheid’: Vier geharmoniseerde verhalen” beschrijf ik hoe economie, onderwijs, psychologie en gezondheidscultuur samen één patroon vormen: de economie zegt dat ongelijkheid efficiënt is, het onderwijs dat positie verdienste weerspiegelt, de psychologie dat worsteling mindset is, en de gezondheidscultuur dat ziekte keuze is . De Sciensano-cijfers zijn daarom niet enkel epidemiologische informatie; zij zijn een weerlegging van die ideologische samenklank.

De stress van overleven is geen randverschijnsel

Wie met weinig middelen leeft, leeft zelden in één probleem tegelijk. Lage inkomens betekenen vaker ook slechtere woningkwaliteit, meer lawaai, minder privacy, een grotere blootstelling aan schuldenstress, minder controle over werktijden, minder toegang tot rust, meer schaamte in contact met instellingen en een hogere drempel om tijdig hulp te zoeken. Dat is niet alleen economische krapte; het is een vernauwing van het innerlijke leven. De geest wordt dan niet ziek in een vacuüm, maar in een dagelijks klimaat van waakzaamheid.

Daarom is de idee dat gelijke toegang tot mentale zorg reeds gerealiseerd zou zijn, moeilijk vol te houden. Formeel bestaan er voorzieningen; praktisch blijven kostprijs, wachttijden, taal, mobiliteit, digitale drempels en de sociale afstand tot instellingen reële barrières. Wanneer bovendien publieke diensten onder druk staan, voelen net de zwakst gepositioneerden dat het eerst. In “Wie betaalt: Het patroon van het mes” beschrijf ik hoe bezuinigingen en schaarste typisch neerdalen waar de weerstand het zwakst is: in langere wachtlijsten, ingekorte zorg en meer werk met minder collega’s in de publieke sector . Dat is geen abstracte theorie; het is het decor waarbinnen welzijnsstatistieken worden gemaakt.

De Belgische diploma-kloof is ook een waardigheidskloof

België kent al lang een hardnekkige koppeling tussen onderwijsniveau en levensloop. Dat heeft te maken met inkomen, maar niet alleen met inkomen. Het gaat ook om cultureel kapitaal, taalregisters, zelfpresentatie, de vanzelfsprekendheid waarmee men een dokter, schooldirecteur, HR-afdeling of overheidsloket tegemoet treedt. De startlijn is niet voor iedereen dezelfde, hoe vaak de meritocratische mythe dat ook beweert. In mijn boek formuleer ik dat scherp: structurele barrières zoals ongelijke scholen, discriminatie, geografie en geërfde rijkdom verdwijnen in de meritocratische verbeelding uit zicht, tot enkel nog deze valse vergelijking overblijft: jouw uitkomst is gelijk aan jouw verdienste .

Dat is precies waarom niet-academische arbeid herwaarderen geen symbolisch extraatje is, maar een geestelijke noodzaak. Een samenleving die wel applaus heeft voor abstracte prestaties maar zuinig blijft met respect voor praktische, zorgende, technische en uitvoerende arbeid, kweekt vernedering. En vernedering is nooit alleen een emotie; zij nestelt zich in lichamen, gezinnen, verwachtingen en politieke verhoudingen.

Wat een serieus antwoord zou vereisen

Mijn interpretatie is normatief, niet louter beschrijvend: als België deze kloof in mentaal welzijn ernstig wil aanpakken, volstaat het niet om het aantal therapieplaatsen voorzichtig uit te breiden terwijl de sociale machine ongewijzigd doordraait. Nodig zijn tegelijk minstens vier bewegingen.

Ten eerste: lagere financiële en praktische drempels tot geestelijke gezondheidszorg, met bijzondere aandacht voor eerstelijnszorg, buurtgerichte ondersteuning en snelle toegang voor mensen in precaire situaties. Ten tweede: een sterker sociaal fundament — inkomen, wonen, werkzekerheid en tijd — omdat psychische stabiliteit niet duurzaam kan groeien op een bodem van permanente onzekerheid. Ten derde: een onderwijsbestel dat later, menselijker en minder vernederend sorteert. In de sectie “Een kind is meer dan een score” pleit ik precies daarvoor: onderwijs dat weigert meting met waarde te verwarren en dat vroege, starre selectie weerstaat . Ten vierde: een publieke taal die mensen niet langer behandelt alsof hun hele leven af te lezen valt uit diploma, cv of mentale hardheid.

Dat alles vraagt ook een journalistieke discipline in het debat. Niet elke ongelijke uitkomst is bewijs van onrecht; maar wanneer ongelijkheid zo systematisch terugkeert in gezondheid, onderwijs, werk en erkenning, wordt het intellectueel lui om nog te spreken alsof louter individuele inzet het grote verklaringsprincipe blijft. Dan moet men de inrichting van de samenleving zelf durven bekijken.

De diepere waarschuwing

De Sciensano-cijfers zijn daarom meer dan een alarmsignaal voor de zorgsector. Zij zijn een spiegel voor de politieke cultuur. Zij tonen dat een meritocratische samenleving de neiging heeft om niet alleen kansen, maar ook schuld naar beneden te laten stromen. En wanneer grote groepen burgers het gevoel krijgen dat zij structureel achterblijven én daarbovenop moreel worden beoordeeld, dan wordt het gemeenschappelijke weefsel bros. Vertrouwen daalt, ressentiment stijgt, en de verleiding groeit om simplistische zondebokken of harde politieke remedies te omarmen.

Wie deze week alleen las dat kwetsbare groepen slechter scoren op mentaal welzijn, heeft het nieuws gezien. Wie ook zag dat hier een hele moraal van verdienste, schaamte en onzichtbare selectie achter schuilgaat, heeft het land gezien. En dat land moet kiezen: blijft het psychisch lijden behandelen als een individueel defect binnen een verder rechtvaardige orde, of durft het eindelijk erkennen dat veel wanhoop geen persoonlijk falen is, maar een rationele reactie op een scheve verdeling van zekerheid, tijd, status en hoop?

Bron: Sciensano gezondheidsenquête 2026; The Brussels Times, “Mental health problems most common in fragile groups”, 11 maart 2026, https://www.brusselstimes.com/belgium/sciensano-health-survey-2026. Vergelijkende duiding uit Thrones of the Invisible, onder meer de secties “De uitvinding van de meritocratie: een eerlijkere race — op papier” , “Continuïteit onder de oppervlakte: competitie met betere manieren” , “Een nieuwe morele last” , “Psychologie en mindset” , “De resulterende ‘rechtvaardigheid’: Vier geharmoniseerde verhalen” en “Een kind is meer dan een score” .