Toezichtscultuur: De Onaangekondigde Inspectie

Toezichtscultuur: De Onaangekondigde Inspectie

Er zijn beleidsmaatregelen die met trompetgeschal worden aangekondigd, en er zijn maatregelen die zichzelf verkopen als nuchter beheer. Het Vlaamse pilootproject met korte, onaangekondigde schoolinspecties in 2026 behoort tot die tweede categorie. In de aangeleverde berichtgeving wordt het voorgesteld als een breuk met de voorspelbare doorlichting: minder theater, minder voorbereiding, meer zicht op de alledaagse schoolrealiteit. Voorstanders, onder wie volgens die berichtgeving minister Demir, zien er een eerlijker vorm van kwaliteitsbewaking in. Tegenstanders en vakbonden vrezen precies het omgekeerde effect: meer stress, meer planlast en een verschuiving van begeleiding naar controle. Dat is geen klein technisch debat. Het gaat over de vraag wat een school in de ogen van de overheid eigenlijk is: een lerende gemeenschap, of een instelling die op elk ogenblik leesbaar moet zijn voor het toezichthoudende oog.

Wie deze discussie alleen leest als een bestuurlijke hervorming, mist haar diepere lading. In Thrones of the Invisible heb ik in de sectie "Surveillance als veiligheid en zorg" beschreven hoe modern toezicht zelden wordt ingevoerd in de taal van straf alleen. Het verschijnt meestal als bescherming, efficiëntie en eerlijkheid. De bekende geruststelling luidt dan: als het systeem goed werkt, hoeft niemand bang te zijn om bekeken te worden . Precies daar zit de intellectuele ernst van deze Vlaamse wending. Onaangekondigde inspecties zijn niet automatisch onrechtvaardig. Maar zij verplaatsen het zwaartepunt wel van vertrouwen naar permanente bewijsbaarheid. De school moet niet alleen goed werken; zij moet ook op elk willekeurig moment kunnen tonen dat zij goed werkt.

Daarmee is ook gezegd dat de voorstanders geen karikaturen zijn. Het argument tegen "window-dressing" is reëel. Wie een inspectie maanden op voorhand kent, kan een ritueel van voorbereiding opzetten dat weinig zegt over de gewone dag in de klas. In de sectie "De publieke gelofte van de school herschrijven" beschrijf ik hoe scholen in oude én moderne orden vaak functioneren als wat ik een "voorspellingsmachine" noem: instellingen die zich niet alleen bezighouden met leren, maar ook met het produceren van leesbare signalen voor ministeries, examencommissies en later algoritmen . Vanuit dat perspectief is het begrijpelijk dat beleidsmakers een inspectiemodel zoeken dat minder vatbaar is voor ingestudeerde schijn. De vraag is dus niet of er toezicht mag zijn. De vraag is welk soort werkelijkheid het toezicht wil zien, en welk gedrag het onderweg onbedoeld gaat belonen.

Daar wordt het technocratische moment zichtbaar. In een ander deel van het boek waarschuw ik voor de neiging om "datagedreven" gelijk te stellen aan neutraal en objectief. Overheden gebruiken dashboards, risicoscores en indicatoren om scholen te beoordelen, maar wat gemeten wordt, is altijd al een keuze, en wat niet gemeten wordt, verdwijnt gemakkelijk uit beeld . Wanneer dalende PISA-resultaten in de aangeleverde berichtgeving dienen als achtergrond voor strengere en verrassingsgerichte inspectie, klinkt een bekende grammatica mee: de cijfers spreken, dus het systeem moet sneller, directer en scherper kijken. In Thrones of the Invisible noem ik dat de stem van de optimalisatie: de neiging om onderwijs niet langer eerst te zien als een menselijk vormingsproces, maar als een systeem dat voortdurend moet worden afgesteld op meetbare uitkomsten .

Het risico daarvan is niet alleen bestuurlijk, maar pedagogisch. In de passage over "de blik van het dashboard" schrijf ik dat een maatstaf die een doel wordt, ophoudt een goede maatstaf te zijn. Hoe meer indicatoren gaan wegen voor inspectie, reputatie en ouderkeuze, hoe groter de kans dat onderwijs zich gaat vervormen naar wat zichtbaar en snel bewijsbaar is, ten koste van wat langzaam, relationeel en moeilijk te kwantificeren is . Een onaangekondigde inspectie kan dan gemakkelijk het onmiddellijk observeerbare bevoordelen: orde, dossiers, routines, zichtbare correctheid. Maar het wezenlijke in onderwijs is vaak trager en minder fotogeniek: vertrouwen dat over maanden groeit, een leerling die na lange stilte plots durft spreken, een klas die inhoudelijk worstelt zonder er uiterlijk "glad" uit te zien.

Dat is des te belangrijker omdat leren zelf niet lineair verloopt. In het boek schrijf ik expliciet dat groei in sprongen, terugvallen en plateaus beweegt, en dat systemen die voortdurende, nette progressie verwachten juist schaamte en miskenning kunnen produceren . Tegen die achtergrond is het niet moeilijk te zien hoe een cultuur van permanente inspecteerbaarheid verkeerde signalen kan afgeven. Scholen leren dan niet alleen dat zij goed moeten zijn; zij leren dat zij er ononderbroken goed moeten uitzien. Leraren worden subtiel aangemoedigd om pedagogische risico's te vermijden, om rommelige maar vruchtbare processen te reduceren, en om de klas eerder in de richting van rust en voorspelbaarheid te duwen dan van intellectuele moed.

Voor leraren is dat geen detail maar een arbeidsvoorwaarde. In de sectie "Leraren beschermen tegen uitputting en inlijving" stel ik dat werkdruk binnen menselijke grenzen moet blijven, dat administratie begrensd moet worden, en dat nieuwe eisen moeten worden getoetst aan de vraag of zij de gelofte van de school werkelijk dienen . Dat raakt rechtstreeks aan het huidige debat. Als onaangekondigde inspecties ertoe leiden dat scholen permanent "audit-ready" moeten zijn, dan wordt de uitzondering een atmosfeer. De inspecteur verschijnt dan niet meer als een kritische vriend die af en toe langskomt, maar als een onzichtbare mogelijkheid die altijd al in de kamer aanwezig is. Voor een sector die volgens de aangeleverde context al kampt met tekorten en druk, is dat geen neutrale ingreep.

Er staat ook iets op het spel voor leerlingen. In de sectie "Scholen als meritocratische fabrieken" beschrijf ik hoe onderwijsinstellingen kinderen kunnen leren dat hun waarde niet alleen samenhangt met wat zij leren, maar met hoe hun prestaties zich verhouden tot externe normen en rangordes . Wanneer ook de school zelf onder een regime van voortdurende toetsbaarheid komt te staan, dringt die logica dieper door. Leerlingen voelen haar niet als beleidstekst, maar als atmosfeer: de klas moet ordelijk zijn, het dossier moet kloppen, de prestatie moet meteen zichtbaar zijn. Zo wordt de school opnieuw een oefenplaats in leven onder onzichtbare beoordelaars.

Daarmee botsen we frontaal op een andere mogelijkheid die ik elders in de trilogie naar voren schuif. In de sectie "De publieke gelofte van de school herschrijven" staat boven de denkbeeldige schooldeur niet: "Bewijs op elk ogenblik je kwaliteit", maar: "Je hoort hier thuis. We zullen je helpen groeien" . Dat is geen sentimentele slogan. Het is een politieke en pedagogische keuze. Een school die vanuit die gelofte werkt, meet kwaliteit niet alleen aan directe zichtbaarheid, maar ook aan de vraag of zij laatbloeiers ruimte geeft, of zij verschil ondersteunt zonder stigma, en of zij kinderen meer zichtbaar maakt in plaats van meer voorspelbaar . Vanuit dat perspectief is de kernvraag aan het Vlaamse pilootproject niet of het "streng genoeg" is, maar of het het werkelijke schoolleven dieper begrijpt of juist vernauwt tot wat in een korte onverwachte passage kan worden gevalideerd.

Dat leidt tot een noodzakelijke nuance. Onaangekondigde inspecties hoeven niet per definitie een instrument van wantrouwen te worden. Zij zouden, in theorie, ook kunnen uitmonden in een rijker en eerlijker beeld van de dagelijkse werkelijkheid, op voorwaarde dat drie dingen gebeuren. Ten eerste moeten de criteria breed genoeg zijn om ook relationele en pedagogische kwaliteit te zien, niet alleen administratieve netheid. Ten tweede moeten de gevolgen proportioneel zijn: een kort bezoek mag geen mechanisme van publieke beschaming of automatische afrekening worden. Ten derde moet de stem van leraren zwaar meewegen, juist omdat zij vaak als eersten voelen wanneer zorg omslaat in controle . Zonder die voorwaarden zal het systeem vrijwel vanzelf de oude les herhalen: wie gemeten wordt, moet zich schikken naar het meetbare.

Er bestaan overigens andere denkbeelden van kwaliteit. In Hoofdstuk 55, "Finland en andere glimpen: wanneer vertrouwen, gelijkheid en kwaliteit hand in hand gaan", beschrijf ik een schoolcultuur waarin hoge kwaliteit niet primair voortkomt uit permanente concurrentie of nerveuze rangorde, maar uit brede gelijkheid, professionele ruimte en relatief weinig reden voor ouders en scholen om elkaar als rivalen te behandelen . Dat is geen blauwdruk die eenvoudig kopieerbaar is, maar wel een herinnering dat vertrouwen en kwaliteit geen natuurlijke vijanden zijn. Het echte beleidsdilemma is dus niet "controle of chaos". Het is of men kwaliteit wil bouwen door angst voor het onaangekondigde moment, of door structuren die het dagelijkse werk van leraren en leerlingen daadwerkelijk sterker maken.

Mijn oordeel is daarom terughoudend maar helder. Volgens de aangeleverde berichtgeving raakt dit Vlaamse pilootproject aan een reële bestuurlijke frustratie: de wens om voorbij ingestudeerde inspectiepraktijken te geraken. Maar het draagt ook een veel grotere culturele verleiding in zich, namelijk die van de controlemaatschappij die zichzelf rechtvaardigt als redelijkheid. Zodra een school moet leven alsof elk moment een toetsmoment is, verschuift haar innerlijke orde. Dan gaat zij minder lijken op een huis van groei en meer op een podium voor onzichtbare rechters. En de tragiek van zulke systemen is altijd dezelfde: zij beginnen met de belofte van eerlijkheid, en eindigen vaak met de productie van voorzichtigheid.

Uiteindelijk is dit dus een strijd tussen twee zinnen. De eerste luidt: "Laat ons zien dat u voldoet." De tweede luidt: "Je hoort hier thuis. We zullen je helpen groeien." Goed onderwijs heeft verantwoording nodig; daarover hoeft niemand romantisch te doen. Maar zodra verantwoording de vorm aanneemt van permanente verrassing, permanente leesbaarheid en permanente spanning, moeten we durven vragen welke god hier werkelijk wordt gediend: het zichtbare kind, of de onzichtbare norm.

Bron: aangeleverde samenvatting van de recente berichtgeving over het Vlaamse pilootproject met korte, onaangekondigde schoolinspecties in 2026, inclusief de meegegeven link https://www.vo-raad.nl/nieuws/onderwijs-wijzigingen-2026; en Thrones of the Invisible, met name de secties "Surveillance als veiligheid en zorg" , "De publieke gelofte van de school herschrijven" , "Leraren beschermen tegen uitputting en inlijving" , "Scholen als meritocratische fabrieken" en Hoofdstuk 55, "Finland en andere glimpen: wanneer vertrouwen, gelijkheid en kwaliteit hand in hand gaan" .