Verzet tegen de Onzichtbare Machine: Nationale Stakingsdag
Dat de BOSA-bibliotheek op 12 maart gesloten blijft wegens de nationale staking lijkt, op het eerste gezicht, klein administratief nieuws. Maar juist zulke korte overheidsmededelingen laten zien waar een tijdperk nerveus wordt. Een bibliotheek sluit niet alleen haar deuren; een staat toont even zijn kwetsbaarheid. Feitelijk weten we uit de publieke aankondiging dat die federale dienstverlening die dag wordt onderbroken. De bredere lezing van deze stakingsdag als verzet tegen de "Onzichtbare Machine" is een analyse, geen officieel regeringsstandpunt. Toch is het een analyse die ernstig genomen moet worden, omdat zij iets benoemt wat veel burgers en ambtenaren al langer voelen: niet alleen de werkdruk stijgt, maar ook de macht van systemen die niemand rechtstreeks heeft verkozen en die zich toch gedragen alsof zij boven tegenspraak staan.
Niet de technologie zelf, maar de verering ervan
In Thrones of the Invisible beschrijf ik in Hoofdstuk 34 hoe er in het digitale tijdperk een stillere vorm van heerschappij groeit, niet alleen via wetten en parlementen, maar via datacenters, scoringssystemen, cloudcontracten en platformregels. Daar noem ik het "algoritmische goddelijke macht": een orde die meer zegt te zien, meer zegt te weten en rechtvaardiger zegt te oordelen juist omdat zij uit code en data voortkomt. Wanneer werknemers in federale diensten vandaag protesteren tegen rigide digitale controles, dan verzetten zij zich dus niet noodzakelijk tegen computers, software of modernisering als zodanig. Zij verzetten zich tegen een politieke theologie van het dashboard: tegen het idee dat wat meetbaar is, daarom ook beslissend moet zijn.
Dat onderscheid is essentieel. Ook in het boek staat expliciet dat de vraag niet is of we data mogen gebruiken, maar "onder welke god". Digitale hulpmiddelen kunnen werk verlichten, patronen zichtbaar maken en dienstverlening verbeteren, maar zodra zij worden ingericht om gedrag te volgen, afwijking te bestraffen en menselijke uitzonderingen weg te filteren, verschuift technologie van instrument naar altaar. In de sectie "Technologie moet zichtbaarheid dienen, niet controle" schrijf ik dat algoritmen mogelijkheden moeten verbreden in plaats van oude patronen te versterken, en dat gebruikers en werkenden echte zeggenschap moeten hebben over de systemen die hun leven vormen.
Van verzorgingsstaat naar controleapparaat
Wat deze staking zo betekenisvol maakt, is dat ze een langer historisch traject blootlegt. In de trilogie toon ik hoe de afbouw van brede publieke bescherming de weg effende voor een nieuw regime van scoring, sortering en "activering". De oude claim van de markt — "ik weerspiegel alleen jullie keuzes" — schoof gaandeweg over in de claim van het algoritme: "ik weerspiegel alleen jullie data". In die overgang verschenen technocraten, data scientists en systeemontwerpers als een nieuwe priesterklasse, niet noodzakelijk uit kwaadaardigheid, maar wel met een groeiende macht om politieke en morele vragen te hervertalen als louter technische ontwerpskeuzes.
Voor de publieke sector heeft dat diepe gevolgen gehad. In een andere passage beschrijf ik hoe leraren, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers en loketmedewerkers steeds vaker werden behandeld alsof professioneel oordeel verdacht was en alleen nog meetbare output telde. Doelstellingen vermenigvuldigden zich, controles verdiepten zich, ranglijsten verschenen, en werk dat ooit draaide om mensen en omstandigheden werd opgeknipt in telbare eenheden. Het resultaat was voorspelbaar: dalende moraal, groeiende burn-out en een breuk tussen burger en dienstverlener. Wie de nationale staking van 12 maart alleen leest als hinder of economische schade, ziet dus maar de helft. De andere helft is de langzame morele schade van een bestuur dat zijn eigen werkenden niet langer vertrouwt.
De kaart vóór het gezicht
Een van de scherpste beelden uit het boek is de formule "de kaart vóór het gezicht". Nog voor de ontmoeting plaatsvindt, ligt het patroon al klaar: een score, een status, een risicomarkering, een dossierlogica. In het boek gebruik ik dat beeld voor onderwijs, maar het reikt moeiteloos verder naar administratie en publieke dienstverlening. Zodra een ambtenaar de burger eerst als dossier, indicator of afwijking moet lezen, en pas daarna als mens, is de volgorde omgekeerd. Het scherm komt vóór de ontmoeting. De regel vóór het verhaal. De categorie vóór de uitzondering.
Precies daar raakt deze staking aan iets dat groter is dan arbeidsorganisatie. Zij stelt de vraag of de overheid nog een menselijke ruimte mag zijn, of enkel een distributiemachine van gestandaardiseerde beslissingen. De eis om minder werkdruk is dan niet simpelweg een personeelseis; het is ook een democratische eis. Want een publieke dienst die haar eigen medewerkers reduceert tot uitvoerders van software-instructies, zal vroeg of laat ook de burger reduceren tot een datapunt dat moet worden afgehandeld.
Waarom deze weigering historisch aanvoelt
In Hoofdstuk 23 beschrijf ik hoe in de industriële revolutie de fabrieksklok de kerktoren verving als heerser over het dagelijkse leven. Tijd werd mechanisch, productie werd ritme, de arbeider werd vastgemaakt aan de machine. De staking van 12 maart voelt historisch omdat zij een nieuwe versie van hetzelfde conflict zichtbaar maakt. Alleen heet de klok nu KPI. De opzichter heet dashboard. De fluit heet notificatie. En de discipline komt niet altijd hard en openlijk, maar vaak zacht, via monitoring, standaardinstellingen, verplichte registraties en permanent meetbare prestaties. Zoals ik elders schrijf, werkt dit digitale pantheon vaak via zachte dwang: je blijft technisch vrij, maar je wordt voortdurend in een voorkeursrichting gestuurd.
Daarom is het woord "algocratie" niet overdreven als analytisch begrip. Het wijst op een bestuursvorm waarin het algoritme niet alleen ondersteunt, maar de norm van redelijkheid begint te dicteren. Wie daarvan afwijkt — de werknemer die ruimte vraagt voor nuance, de burger die niet netjes in het formulier past — lijkt plots het probleem. En dat is precies een van de terugkerende patronen die ik in de trilogie beschrijf: systemen presenteren hun ontwerp als lotsbestemming en schuiven de schuld naar beneden, naar degenen die onder hun regels moeten leven.
De sterkste tegenwerping verdient een eerlijk antwoord
Er is natuurlijk een serieuze tegenwerping. Overheden hebben schaal nodig. Regels moeten consistent zijn. Fraude moet worden bestreden. Burgers hebben recht op voorspelbare behandeling, niet op willekeur. Dat argument is niet dwaas en het mag ook niet karikaturaal worden afgewezen. Juist daarom is de inzet van deze staking belangrijk: niet het afschaffen van techniek, maar het herstellen van proportie. Niet terug naar willekeur, wel weg van de fictie dat een geautomatiseerde of rigide procedure per definitie rechtvaardiger is dan een menselijk oordeel. In het boek noem ik dat het verschil tussen data gebruiken en data vereren.
Wie de federale overheid toekomstbestendig wil maken, moet dus niet kiezen tussen chaos en controle. Er bestaat een derde weg: digitale systemen die uitlegbaar zijn, betwistbaar blijven en ondergeschikt zijn aan professioneel oordeel. In Hoofdstuk 36 stel ik dat een andere orde begint met een andere manier van kijken: niet mensen voorspelbaar willen maken, maar zichtbaar. Een zin uit dezelfde denklijn is vandaag bijna programmatisch voor België: minder bureaucratisch papierwerk, meer tijd, vertrouwen en aandacht; technologie die uren vrijmaakt voor menselijk contact, niet voor nog meer micromanagement via data.
Wat uit deze stakingsdag kan volgen
Als deze staking politiek iets nalaat, dan zou het een herijking van de digitale staat moeten zijn. Geen romantische afkeer van software, maar een afdwingbaar recht op menselijke tussenkomst; geen blind geloof in prestatie-indicatoren, maar publieke audits op hun effecten; geen gesloten aanbestedingslogica waarin systemen van bovenaf worden uitgerold, maar medezeggenschap van werknemers en burgers over hoe zulke systemen worden gebouwd en bestuurd. Dat is geen technofobie. Dat is democratie toegepast op infrastructuur. De trilogie eindigt niet met een oproep om machines te vernielen, maar met een uitnodiging om onze loyaliteit terug te trekken van valse absoluties en opnieuw te kiezen welke machten werkelijk dienstbaar zijn aan het leven.
In de sectie "Hoe leugens uiteindelijk breken" schrijf ik dat goddelijke macht niet valt omdat iemand haar intellectueel weerlegt, maar omdat genoeg mensen, op genoeg plaatsen, ophouden haar kernleugens te geloven. Eerst fluistert men dat er iets niet klopt. Daarna wordt het hardop gezegd. Daarna komt het ogenblik waarop gehoorzaamheid wordt geëist en te veel mensen kalm antwoorden: "Nee." Misschien is dat het ware gewicht van 12 maart. Niet dat een bibliotheek sluit, maar dat een samenleving even hardop zegt dat een staat geen tempel van optimalisatie mag worden.
De economische schade van een nationale staking is reëel. De hinder voor burgers is reëel. Maar ook dit is reëel: een publieke orde die alleen nog efficiënt wil zijn, verliest vroeg of laat haar legitimiteit. En wanneer ambtenaren staken om niet langer als verlengstuk van een onzichtbare machine te functioneren, verdedigen zij niet alleen hun arbeidsvoorwaarden. Zij verdedigen de mogelijkheid dat de overheid nog door mensen wordt bewoond.
Bron: belgium.be — BOSA-bibliotheek gesloten op 12 maart door staking: https://www.belgium.be/nl/nieuws/2026/stakingsdag-12-maart. Boekverwijzingen verwerkt in de tekst: Thrones of the Invisible, onder meer Hoofdstuk 23, Hoofdstuk 34, Hoofdstuk 36 en de secties "Technocraten als nieuwe priesterklasse", "Technologie moet zichtbaarheid dienen, niet controle" en "Hoe leugens uiteindelijk breken".
Comments ()